|
0 actieve gebruikers Inloggen bestaande gebruiker Aanmelden nieuwe gebruiker Naar mobiele versie |
||||
Mozes en Aäron staan voor de eerste keer voor de farao en zeggen hem uit de naam van de God van Israël dat hij het volk moet laten gaan. De farao wil dit niet doen en zegt: "Wie is die HEER, dat ik Hem zou gehoorzamen?" Mozes en Aäron zeggen dan dat God hen zwaar zal gaan treffen.
Waarmee?
In Exodus 5:3 staat: Ze (Mozes en Aäron) zeiden: "De God van de Hebreeën is naar ons toe gekomen. Sta ons toe drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de HEER, onze God, daar offers te brengen. Anders treft Hij ons met de pest of met het zwaard."
Het Bijbelboek Deuteronomium begint met een opsomming van de plaatsen waar het volk Israël geweest is tijdens de woestijnreis. Als ze aankomen bij het beloofde land, zegt God dat ze sommige volken niet mogen aanvallen en hen niet mogen uitdagen.
Welke volken zijn dat?
In Deuteronomium 2:19 wordt gezegd dat ze de Moabieten en de Ammonnieten niet mogen aanvallen, omdat God dat land aan de nakomelingen van Lot had gegeven.
De profeet Ezechiël wordt op een gegeven moment in een visioen meegevoerd naar Jeruzalem en de tempel. Hij ziet daar afschuwelijke afgoderij. Bij de noordelijke poort ziet hij vrouwen.
Waar rouwen zij om?
De vrouwen in het visioen rouwden om de afgod Tammuz. Tammuz is de Babylonische god van de lente. Ze rouwden waarschijnlijk omdat het winter was geworden en zouden weer feest gaan vieren als het voorjaar opnieuw was aangebroken en alles weer groen werd. Deze afgodendienst vond in de tempel plaats, tot afschuw van de HEER.
Maak de volgende zin uit de tweede brief van Petrus af.
"Span daarom al uw krachten in om uw geloof te verrijken met ........ ."
Volgens Petrus werkt het een het ander uit en horen christenen zich voor elke deugd in te zetten. (2 Petrus 1:5-8.)

© 2015 - Martin van Toll Producties |